Geef leraren meer speelruimte in het onderwijs

Autonomie van de leraar nog in de kinderschoenen

Radboud Universiteit 11 april 2024

Leraren hebben speelruimte nodig bij het geven van onderwijs en het afnemen van examens. Die autonomie is belangrijk om het onderwijs toe te kunnen spitsen op de behoeften van de leerling. Maar nu het onderwijs steeds vaker onder druk staat, neemt de speelruimte van leraren af. Hoeveel ruimte biedt de wet voor de autonomie van de leraar als die botst met de verwachtingen van mondige leerlingen en ouders en eisen van het schoolbestuur? Job Buiting onderzocht hoe die autonomie juridisch geborgd is, en of deze verstevigd moet worden. Hij promoveert op 16 april aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Radboud Universiteit.

Autonomie is een belangrijk goed voor veel leraren, zo hebben eerdere onderzoeken aangetoond. Voor docenten is het essentieel dat ze een bepaalde mate van vrijheid hebben bij het vormgeven van hun lesprogramma, en in hoe ze toetsen afnemen. Dat heeft ook concrete voordelen voor de leerling, want zo kan een leraar het onderwijs afstemmen op de behoeftes van de leerlingen. Maar in de praktijk is die autonomie maar beperkt juridisch geborgd, blijkt uit het onderzoek van Buiting. 

De speelruimte van de leraar is vaak afhankelijk van de afspraken die op elke school afzonderlijk gemaakt zijn. Buiting: ‘Als een schoolbestuur leraren weinig of geen ruimte geeft, dan is die autonomie heel kwetsbaar. Zeker nu er grote tekorten aan leraren zijn, kan dit tot gevolg hebben dat het vak van leraar steeds onaantrekkelijker wordt.’

Terugfluiten

Leerlingen en hun ouders zijn de laatste jaren steeds mondiger geworden. Dat uit zich volgens Buiting onder andere in de beslissingen rondom examens. ‘De diploma's die daaruit voortvloeien, zijn natuurlijk belangrijk voor de maatschappij. Er hangt ook veel vanaf voor de leerling. Maar als een leerling niet tevreden is met de examinering, kan hij weinig doen. Hij kan naar de rechter stappen, maar die gaat een examen scheikunde niet nog eens nakijken. Die rechter heeft niet deskundigheid of de bevoegdheid om de leraar terug te fluiten.’ 

Buiting: ‘Dit zie je bijvoorbeeld bij het schooladvies dat wordt gemaakt aan het eind van de basisschooltijd. Deze beslissing is bepalend voor het vervolg van de schoolloopbaan van de leerling, maar juist hier heeft de leraar een grote mate autonomie. Hij weegt bij het schooladvies af welk niveau van voortgezet onderwijs passend is, aan de hand van de leerresultaten, de uitkomst van de doorstroomtoets en de de sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerling.’ Buiting verwijst ook naar andere, bijzondere recente situaties. Zo besloot in 2023 een leraar in het speciaal onderwijs haar leerlingen mee te nemen naar de Efteling, zonder ouders of het schoolbestuur in te lichten. ‘Die leraar werd uiteindelijk op staande voet ontslagen omdat het in het geniep gebeurde. Zij had niet goed had ingeschat waar de grenzen van haar autonomie lagen’. 

Beroepsorganisatie

Een mogelijke oplossing is volgens Buiting de invoering van een beroepsorganisatie voor leraren. ‘In de advocatuur, in de zorg, en in allerlei andere beroepsgroepen waar je midden in de samenleving staat heb je zulke organisaties. Maar er is nog geen beroepsgroep die op landelijke schaal de leraar beschermt. Zo'n groep kan helpen met het opstellen van richtlijnen en professionele standaarden, zodat iedereen weet wat je van een leraar kan verwachten, maar kan zich bijvoorbeeld ook hard maken voor een minimale voorbereidingstijd per les, of het maximale aantal leerlingen in een klas. Zonder een sterke beroepsgroep die zijn stem laat horen en zelf mede gaat bepalen hoe het onderwijs eruit komt te zien, blijft de leraar afhankelijk van het schoolbestuur en de wetgever in Den Haag.’

John KistermannComment